Vier principes formuleerde Hans Burgman in de jaren ’70 voor het ontwikkelingswerk dat hij als missionaris in Kenia ging doen. “Als ik ze vandaag opnieuw zou moeten bedenken, zou ik precies hetzelfde opschrijven.”

Verscholen achter het getinte glas van zijn blauwe Toyota met zijn naam in gouden letters op het portier genoteerd, komt missionaris Hans Burgman de zanderige binnenplaats van Pandipieri opgereden. Lanzaam beweegt hij zijn grove Hollandse lijf uit de auto. Een wandelstok in zijn rechterhand begeleidt hem. De Afrikaanse zon, de tijd en de parkinson hebben zijn gezicht een leerachtige structuur gegeven. Maar zijn ogen zijn helder, nieuwsgierig, alsof ze bij een kleine jongetje in de speelgoedwinkel horen.

Restaurant Burgman

Pandipieri ligt aan de rand van een grotendeels uit golfplaten opgetrokken wijk van de derde stad van Kenia, Kisumu. Sinds de jaren ’70 is het centrum de uitvalsbasis van Burgman. Er zijn steeds meer voorzieningen bijgekomen,  zoals een kliniek, een school, een ontmoetingscentrum en Restaurant Burgman.”Wanneer ze dingen naar je gaan vernoemen is het tijd om dood te gaan”, grinninkt de inmiddels 84-jarige missionaris, terwijl hij stap voor stap het restaurant binnenwandelt.

Talenten benutten

“Wat is armoede? Ze zeggen dat je arm bent als je van minder dan 2 dollar per dag moet leven. Betekent dat dan dat de serveerster hier arm is?” Burgman knikt naar de donkere vrouw met ingevlochten haren die behoedzaam een flesje water en een glas voor hem op tafel zet. Ontwikkelingswerkers richten zich naar zijn smaak veel te veel op economische ontwikkeling. “Een meisje dat de hele dag onder een boom zit, veel te jong zwanger raakt van een man die nergens meer te bekennen is en uiteindelijk toch getrouwd wordt om vervolgens niet meer te doen dan wat huishoudelijke taken, dat is armoede. Als mensen hun talenten kunnen benutten, krijg je een enorm leuke samenleving. Daarom zijn we bijvoorbeeld een kunstproject begonnen. Daar is nog niemand rijk van geworden, maar mensen doen wel waar ze goed in zijn.

Vier principes

De vraag hoe je het als ontwikkelingswerker goed kunt doen, was in de jaren ’70 net zo actueel als vandaag de dag. Daarom bedacht Burgman vier principes voor hemzelf en de andere missionarissen bij Pandipieri: “Als je iets met de mensen hier wilt doen, dan moet je werken vanuit de wens van de gemeenschap. Ten tweede moet je zelf onderdeel worden van die gemeenschap om werkelijk een bijdrage te kunnen leveren. Het derder principe is dat je gebruik moet maken van wat er in de gemeenschap voor handen is, ook als dat een inferieur product of resultaat oplevert. Tenslotte hebben mensen inspiratie nodig om niet in dezelfde cirkel te blijven waarin ze al zitten.

‘Moeten we daar niet iets aan doen dan?’

Dus begon Burgman zijn missiewerk in Kisumu met de vraag aan de gemeenschap (“voor zover je van één gemeenschap kunt spreken, er zitten zoveel lagen in”) wat hij met zijn collega’s kon betekenen. De religieuze achtergrond van de missionarissen zal het antwoord beslist beïnvloed hebben, “Want ze vroegen om bijbelclubs. Maar we zeiden: als dat is wat ze willen, dan doen we dat”, herinnert Burgman zich nog goed. “Tijdens een van de bijbelsclubs zagen we buiten  kinderen met bolle buiken van de honger. Jezus zegt dat we moeten worden als een kind. Dus ik zei: ‘Moeten we daar niet iets aan doen dan?’ Ik vroeg om een paar vrijwilligers die we hebben opgeleid tot voedingsdeskundigen.”

Bedbugs

Om onderdeel te worden van de samenleving, vroeg Burgman of hij bij families thuis mocht blijven slapen. “Dat waren geweldige ervaringen”, al was hij wel een geliefd hapje voor bedbugs. De jeuk hield hem niet tegen. “Ik wilde wel altijd een nieuwe mat en sliep onder een klamboe over vier paaltjes.” En dan, met pretoogjes: “Dat ding hield het midden tussen een bruidsluier en een doodskist.”

Hans Burgman: "Die klamboe hield het midden tussen een bruidsluier en een doodskist."
Hans Burgman: “Die klamboe hield het midden tussen een bruidsluier en een doodskist.”

Het inzegenen van woningen is een andere activiteit die ervoor zorgde dat tegenwoordig vrijwel iedereen ‘Father Hans!’ scandeert als Burgman zijn Toyota over de hobbelige zandweggetjes door de wijk rond Pandipieri manouvreert. Je kunt de wierrook bijna ruiken als Burgman vertelt hoe elke drie jaar enkele maanden lang in processie door de wijk trok om over honderden huizen de zegen uit te spreken. “Voor mij was het een kans om mensen te ontmoeten en een beeld te krijgen van de wijk. Van elke woning die we bezochten hielden we bij hoeveel mensen er woonden en wat ze deden.”

Gefrituurde deegballen

Door alle ontmoetingen en gesprekken leerde Burgman de Kenianen ook beter begrijpen. En ontdekte hij waarom zijn vier principes vaak wel, maar soms ook niet werkten.

Inspiratie putte Burgman bij voorkeur uit het vereenvoudigde evangelie. Al probeerde hij het ook wel eens op een andere manier. “Een vrouw bij de poort verkocht van die gefrituurde deegballen. Zoals zoveel anderen hier. Als je kijkt wat ze ervoor vroeg en wat ze alleen al kwijt was aan ingrediënten en brandstof, snap je niet hoe ze er iets aan kon verdienen. Dus zei ik tegen haar: ‘Waarom doe je er niet eens wat sinaasappel of citroen door het deeg? Dan maak je wat anders dan de anderen en kun je misschien wat meer vragen.’ Ze zei tegen me: ‘Als dat een goed idee was, had iedereen dat hier al lang gedaan.'”

Gedragsverandering

Met zijn vier principes hoopte Burgman een gedragsverandering te realiseren. Soms lukte dat beter dan hij had durven dromen. Een mede-missionaris die een school begon voor de allerarmste kinderen in de wijk, zag zijn klaslokaal ook volstromen met straatkinderen. Burgman kwam er achter toen hij lang na schooltijd kinderen slapend in het lokaal aantrof. “Op openbare scholen waren deze kinderen niet welkom omdat ze geen uniform hadden. Bij onze informele school was dat geen probleem.”

‘Je bent stom als je iets gaat repareren dat niet stuk is’

Straatkinderen die uit zichzelf naar school gingen en zo de deur voor zichzelf openden naar een andere toekomst, maken tot op de dag van vandaag emoties los bij Burgman die door zijn ziekte nog maar zo weinig emotie kan laten zien in zijn verstarde gelaat. Ander gedrag is hij wel gaan begrijpen, maar heeft hij nooit zien veranderen. Als voorbeeld geeft hij onderhoud. “Mensen onderhouden hier niets. Je bent stom als je iets gaat repareren dat niet stuk is.”

Bedriegen = slim

Waar Burgman erg trots op is, is dat hij heel veel mensen vriendschap heeft kunnen laten ervaren in een samenleving die bol staat van wantrouwen. “In de Ugandese taal is ‘wijsheid’ en ‘bedrog’ hetzelfde woord. Dat zegt veel. Je bent dom als je niet bedriegt als je daar de kans voor krijgt.” Die vriendschappen bewezen zich tijdens een brand in Pandipieri. “Allemaal mensen uit de wijk haalden spullen uit de gebouwen. Na de brand is alles teruggebracht, op één voetbalshirt na.”

Dood laten gaan

Nu, met zijn wuivende grijze haren en zijn 84 jaar, heeft Burgman een stapje teruggedaan, al is hij nog steeds negen maanden per jaar in Kenia. Met het grote hek om het terrein en de organisatie die uit tientallen medewerkers en projecten bestaat, is Pandipieri hem een maatje te groot geworden. En bovendien te groot om nog dicht bij de samenleving te kunnen staan, vindt Burgman. Als Pandipieri een aantal projecten zou beëindigen die hij is begonnen, heeft hij daar geen moeite mee.  “Projecten moet je dood durven laten gaan of stoppen. Soms is het beter om iets nieuws te beginnen.”